| |
 | Orde | : | Pleviervogels (Charadriiformes) |  | Familie | : | Sterns (Sternidae) |  | Lengte | : | 21 tot 25 cm |  | Geluid | : | |  | Biotoop | : | |  | Periode | : | |  | Aantal broedparen | : | Minder dan 1.000 |  | Toename of afname | : | Lichte toename |  | Bijzonderheden | : | De dwergstern staat op de rode lijst. | |
|
Kenmerken | Het verenkleed is voornamelijk wit van kleur |  |
De rug is lichtgrijs van kleur |  |
Er is een zwarte kopkap aanwezig |  |
Het voorhoofd wit gekleurd |  |
De snavel is geel met een zwarte punt |  |
De poten zijn oranjegeel gekleurd |
| | |  |
Omschrijving
De dwergstern is de kleinste in Nederland voorkomende stern, die in de vlucht vooral opvalt door de zeer snelle vleugelslagen. In het zomerkleed is de dwergstern te herkennen aan het witte voorhoofd, dat bij de meeste andere sterns alleen in de winter wit is.
De vogel jaagt biddend in de lucht op kleine vissen die zich vlak onder het wateroppervlak bevinden. De vissen worden gevangen met een felle stootduik, waarbij de vogel soms geheel onder water verdwijnt. In Nederland is de dwergstern een zeldzame broedvogel, die in kleine kolonies broedt op rustige stranden. Het nest bestaat uit een ondiep kuiltje, waarin twee of drie goed gecamoufleerde eieren worden gelegd. Behalve langs de kust broeden dwergsterns een enkele keer ook langs rivieren verder landinwaarts. Dwergsternen overwinteren in Afrika, zodat in het voor- en najaar ook veel vogels uit de noordelijke broedgebieden door Nederland trekken.
|