| |
 | Orde | : | Roofvogels (Falconiformes) |  | Familie | : | Sperwers (Accipitridae) |  | Lengte | : | 95 tot 110 cm |  | Geluid | : | |  | Spanwijdte | : | 230 tot 270 cm |  | Biotoop | : | |  | Periode | : | |  | Aantal broedparen | : | Geen | |
|
Kenmerken | Het verenkleed is hoofdzakelijk donkerbruin van kleur |  |
De vleugels zijn lang, breed en gevingerd |  |
De poten zijn minder ontwikkeld |  |
De staart- en slagpennen zijn zwart |  |
De kop en de hals zijn wit van kleur en nauwelijks voorzien van veren |  |
Tussen hals en lichaam bevindt zich een verenkraag |
| | |  |
Omschrijving
Met een spanwijdte van soms meer dan 2,5 meter behoort de vale gier tot de grootste vliegende vogels ter wereld. De combinatie van het bruine verenkleed met de zwarte staart- en slagpennen geeft de vogel in de vlucht een tweekleurig beeld. De vale gier onderscheidt zich van andere roofvogels door de licht bevederde hals en de minder krachtig ontwikkelde poten. Dit zijn typische kenmerken van een aaseter, met de lange hals is ook het vlees uit het binnenste van een karkas bereikbaar, terwijl de kop niet vast kan komen te zitten doordat de veren achter de botten blijven haken.
De vale gier overnacht in troepen op een vaste slaapplaats, bij de eerste thermiek in de ochtend stijgen de vogels op tot grote hoogte om al zwevend te speuren naar dode dieren. De vogels vliegen hierbij redelijk ver uit elkaar, maar blijven hun soortgenoten in de gaten houden. Zodra een vale gier een vers karkas heeft gevonden moet deze doorgaans al snel plaats maken voor zijn soortgenoten.
Hoewel vale gieren doorgaans voornamelijk in Zuid-Europa te zien zijn, deed in 2007 een groep van tientallen vale gieren Nederland en België aan, waarschijnlijk gedreven door voedseltekort in Spanje.
|