| |
 | Orde | : | Fuutachtigen (Podicipediformes) |  | Familie | : | Futen (Podicipedidae) |  | Lengte | : | 40 tot 46 cm |  | Geluid | : | |  | Biotoop | : | |  | Periode | : | |  | Aantal broedparen | : | Ongeveer 10 |  | Bijzonderheden | : | De roodhalsfuut staat op de rode lijst. | |
|
Kenmerken | In het zomerkleed is de hals bruinrood van kleur |  |
De hals is in het winterkleed grijs |  |
De wangen zijn lichtgrijs van kleur |  |
De kruin is zwart met een aanzet tot een kuif |  |
De snavel is zwart met een gele basis |
| | |  |
Omschrijving
In het zomerkleed is de roodhalsfuut goed te herkennen aan de rode hals. In het winterkleed verliest de vogel dit kenmerk echter, waardoor de vogel dan minder goed te onderscheiden is van verwante soorten zoals bijvoorbeeld de gewone fuut. De hals van de roodhalsfuut is echter korter en minder dik dan de hals van de fuut. Ook de kleur van de snavel, die bij de roodhalsfuut geel met zwart van kleur is, verschilt van de grijze tot roze snavel van de fuut.
Roodhalsfuten broeden op kleine, voedselrijke meren in het oosten van Europa, waar het drijvende nest wordt gebouwd van allerlei plantendelen. De meren vormen een belangrijke voedselbron voor de vogels, die zich voeden met allerlei kleine dieren. In de winter trekt de roodhalsfuut naar de kust van onder andere Nederland, maar de vogel is 's winters ook op de grotere meren in het binnenland te zien.
|