| |
 | Orde | : | Pleviervogels (Charadriiformes) |  | Familie | : | Strandlopers (Scolopacidae) |  | Lengte | : | 22 tot 32 cm |  | Geluid | : | |  | Biotoop | : | |  | Periode | : | |  | Aantal broedparen | : | Ruim 100 |  | Toename of afname | : | Sterke afname |  | Bijzonderheden | : | De kemphaan staat op de rode lijst. | |
|
Kenmerken | De bovenzijde is grijsbruin met donkere vlekken |  |
De onderzijde is wit van kleur |  |
Het mannetje heeft in de broedtijd een variabel verenkleed, een grote verenkraag en een kuif |  |
De poten zijn licht oranje van kleur |
| | |  |
Omschrijving
In het voorjaar is het mannetje van de kemphaan een opvallende vogel, de mannetjes beschikken dan namelijk tijdelijk over een imposante kraag en kuif. De veren in de kraag hebben een zeer variabele kleur en worden tijdens de balts opgezet. De mannetjes baltsen in het voorjaar op een gemeenschappelijke plaats. De onopvallend gekleurde vrouwtjes komen uiteindelijk ook naar de baltsplaats om te paren. Na een succesvol paringsritueel zal het vrouwtje de eieren alleen bebroeden en de jongen alleen groot brengen.
Met name door drooglegging van vele vochtige terreinen broedt de kemphaan tegenwoordig bijna alleen nog in het noordoosten van Europa. Hoewel de vogel nog maar zelden in Nederland broedt, doet de kemphaan Nederland nog wel aan tijdens de trek naar Midden-Afrika, waar de vogel overwintert.
|